Follow by Email

Thursday, 12 July 2012

Potlood en Papier

Potlood zag het leven – zijn leven – niet meer zitten. Er was gewoon geen punt meer aan te krijgen, zo dacht hij. Moedeloos flaneerde hij van links naar rechts in zijn pennezak tot hij zich uitgeput in zijn volle lengte liet neerploffen, tussen de massa kleurstiften. Hij was het gewoon beu om steeds weer dezelfde dingen te moeten noteren: boodschappenlijstjes, rekensommetjes, boekhouding...dag na dag dezelfde doffe zinneloosheid.
Maar ja, wat kan je doen als potlood? Het antwoord in zijn geval, jammer genoeg, was wat gaan rondhangen bij de andere schrijfgereedschappen. Ik zeg wel “jammer genoeg” omdat hij van hun aanwezigheid eigenlijk niets kon opsteken. De meesten zagen het leven als een kleurrijk gegeven, maar Potlood zag alles maar grauw en grijs in. Hun gesprekken vielen toch maar op dovemansoren, ondanks de beste wil van enkelen onder hun. Zo was de vierkleurige balpen een hele hulp geweest voor een tijdje, maar het destructieve gedrag van Potlood, die zich liever keer op keer leek te laten slijpen, maakte hem zo moedeloos.
Op een dag besloot Potlood een ontmoetingsplaats voor kantoorartikelen te bezoeken, een soort singles bar voor schrijfbehoeften.
Hij had de deur van het drieste etablissement nog maar net achter zich toegegooid, of hij had al meteen de geladen atmosfeer in zich opgenomen. In de uiterst fletse donkerrode slecht verlichtte plaats kon hij, eens zijn grafieten oogjes zich aan de omgeving hadden aangepast, in de verste uithoek Schaar waarnemen, die alleen aan een tafel zat. Ook Lijmpot, Vilstift en Nietje waren van de partij en zaten met hun gedrieën een op het eerste zicht gezellig spelletje te spelen.
Potlood had geen zin om met wie dan ook contact te zoeken en zette zich zo goed dat ging op een barkruk. De barpaperclip vroeg hem of hij iets wou drinken, misschien een glaasje lood of zo. Er was er maar één die hiermee hard kon grinniken en dat was niet Potlood.
Zo zat hij daar gans de avond, helemaal alleen, soms opgeschrikt door het geluid van een wakker wordende Perforator of Elastiekje dat uitbundiger leek te worden naarmate de avond zich verder rekte.
Doch plots opende de voordeur van het café zich wagenwijd en een schitterend glanzend maagdelijk wit blad papier leek vanzelf binnen te dwarrelen.
Alle geluid stopte voor een moment, maar de meesten gingen na een korte pauze onverdroten met hun eigen zaken verder.
Maar niet Potlood. Die zat als een gehypnotiseerde naar het blad papier te staren. Hij voelde zijn stift binnenin zijn houten omhulsel daveren van opwinding. Nog nooit had hij zo’n prachtig wit papieren blad gezien en dan nog wel van een absoluut perfect A4 formaat ook nog.
Die aandacht was niet aan Papier onopgemerkt voorbij gegaan en met rasse vouwen stapte zij op Potlood toe.
Ze zette zich naast hem neer, op een omgekeerde punaise, en bestelde een Ontnieter, blijkbaar een potent drankje tegen vergelende ezelsoren.
De twee kwamen eerst haperend, dan vlot in het gesprek. Het ging aanvankelijk over alledaagse dingen, zoals de laatste snelhechter trends, maar algauw bloeide er blijkbaar toch iets tussen die twee en een schijnbaar onschuldige verwijzing naar stempelkussens was niet totaal onopgemerkt aan Potlood voorbij gegaan.
Ze besloten mekaar terug te zien.
En zo gebeurde het: een wederzijdse interesse groeide uit tot een echte affectie tussen die twee. Ze hadden mekaar eindelijk gevonden – potlood kriebelde en kribbelde erop los: assonanties, alliteraties, vers in hexameters, sonnetten, rondelen, enjambementen, ollekebollekes, kwatrijnen, stanza’s en traktaten over de metafysieke implicaties van Planck’s kwantum mechanica.
Potlood danste, gleed, wreef, kerfde, streelde, streek, rolde, ruisde, krulde, kriebelde, koosde, aaide, masseerde de zachtglooiende plooien van de ruime witte hardgeworden ex-pulpmassa die een zo onherkenbare bevalligheid had aangenomen. De transformatie van knoertige boomstam naar bekoorlijk velletje vezelhoudend materiaal had in dit exemplaar zijn hoogste perfectie bereikt.
Zoals in elk verhaal dat een dramatische wending wil vinden, kwam ook aan dit geluk een plots einde...Geluk van anderen brengt nu eenmaal een flinke dosis jaloezie met zich mee.
Zo verscheen op een dag de gevreesde...Gom op het toneel. Hoezeer Papier ook haar best deed om zich te verschuilen, het mocht niet baten. De schaamteloze eradicatie van zoveel moois op het onschuldige blad kwam neer op de meest walgelijke verkrachting. Potlood moest met lege ogen toezien hoe Gom zijn mooiste verzen uitveegde alsof het een smet betrof die moest worden uitgeroeid.
Hoe lang deze cultuurbarbarij duurde, wist niemand. Ach, wat doet het er uiteindelijk ook toe: het kwaad was immers geschied.
Uit pure wanhoop kan echter ook nieuwe liefde ontstaan, de kiemen van een nieuw begin. En met die vernieuwde hoop begon Potlood met vernieuwde moed het volgende verhaal te noteren op het gehavende blad van Papier:
“Potlood zag het leven – zijn leven – niet meer zitten. Er was gewoon geen punt meer aan te krijgen, zo dacht hij. Moedeloos flaneerde hij van links naar rechts in zijn pennezak tot hij zich uitgeput in zijn volle lengte liet neerploffen, tussen de massa kleurstiften. Hij was het gewoon beu geworden om steeds weer dezelfde dingen te moeten noteren: boodschappenlijstjes, rekensommetjes, boekhouding...dag na dag dezelfde doffe zinneloosheid....”

Tuesday, 15 May 2012


Nostalgische dictie

Surfen op internet is eigenlijk een beetje als een doktersbezoek: als je lang genoeg zoekt, zal je ook wel’s iets interessants vinden. Liefst iets minder huiveringwekkends als bij de arts.
Zo ook laatst stootte ik toevallig (?) op een oud boekje dat op een site te veil stond: “Mijn woord, uw woord”, geschreven door twee heren waar ik ooit nog’s les van kreeg op het College.
De loutere ontdekking liet een heimelijke gniffel aan me ontsnappen omdat het desbetreffende uurtje les over “dictie” ging. Het was de bedoeling om een correcte uitspraak van woorden te acquireren en dit via het fonetische schrift ook te kunnen staven.
Zo herinner ik me nog dat het woord “zakdoek”, dat fonetisch moest worden vertaald naar iets dat leek op “zagdoek” – de harde “k” werd vervangen door een zachte “g” en dus ook zo genoteerd. En de functie van de sjwa had ook geen enkel geheim meer voor mij eens de zomervakantie weer aanbrak.
Wat de bedoeling was van dit luttele uurtje les, is mij nooit geheel duidelijk geworden. Misschien wisten de desbetreffende heren dit ook niet, want meer dan eens gaven ze verstek.
Ik herinner me ook nog levendig het lesboekje dat erbij hoorde, het bovenvernoemde “Mijn woord, uw woord”. Daar stonden dan zo’n waanzinnig interessante oefeningen in de trant van:
Flatalaa!
Flataloo!
Flataluu!
Flatali!
en meer van dat fraais.
Je eigen geschreven boekje verkopen als lesmateriaal is een uiterst aantrekkelijke manier om je karige maandloon als onderwijskracht wat extra te spijzen. Als het lesjaar dan voorbij is, kan de onderdanige pupil het misschien bij een tweedehands boekwinkel verpatsen, of beter nog: door de knusse open haard laten verteren.
En toch pakt de heimwee me bij het lezen van deze titel op het web. Heimelijk verlang ik naar een inzage exemplaar om me terug naar die oersaaie namiddagen te verplaatsen waar we allen als uit één luide borst de fonetische oefeningen scandeerden:
Flatalaa!
Flataloo!
Flataluu!
Flatali!

Op

Na een dag intensief verhuizen, ben ik nu kompleet op. Op als in: gedaan, leeg, futloos. Zelfs een citroen gaan kopen in de winkel rond de hoek is nu even teveel gevraagd.
De sluimerende energie die ik nog net had om iets leuks te gaan doen, zoals een computerspelletje spelen, is nu helaas volledig weggeëbd. Jammer wel, want die salade Niçoise smaakt helemaal niet hetzelfde zonder wat fris citroensap.
Misschien is dit de aanzet die ik nu juist nodig heb om m’n lui vlees naar die winkel te slepen. Als ik daar dan eenmaal ben, kan een snoepreisje langsheen de verleidelijke rekken van de wijn-en chocoladeafdeling wellicht verder soelaas verlenen aan mijn inertie.
Gek hoe zo weinig zo veel in beweging kan zetten.
Kuierend door de rijkgevulde winkel die uitpuilt van allerlei soorten etens-en drankwaren, besef ik plots dat mijn karretje nu reeds gevuld is met allerlei spul dat ik eigenlijk niet nodig heb. Of tenminste: waarvoor ik niet oorspronkelijk naar hier toe gekomen ben.
Ik tel reeds een tiental artikelen en herinner me ietwat schaapachtig dat ik m’n volle gewicht voor citroenen van de stoel heb geheven.
Schuldgevoelens kroppen in me op: moet ik nu onder andere die heerlijke Brie, die ontbijtchocoladetabletjes en die drie flessen Saint Émilion 2009 die net in promotie staan tóch in de rekken terug plaatsen?
Nee, dan moet ik nog langer in deze consumptietempel rondlopen. Het is goed geweest, laat ik maar snel langs de kassa en dan naar huis.
Ik leg de artikelen op de rubberen rolband, plaats het mandje netjes op de daartoe bestemde plek. Mijn spullen rollen voorbij, worden ingescand. Zou ik ze proberen te memoriseren, zoals in die debiele spelshows van de jaren ‘70?
Plots wordt het me warm rond de oren: verdomme, heb ik wel genoeg geld op me?
Murphy’s law, uiteraard...
Het te betalen bedrag licht onverbiddelijk op de kassadisplay op.
Mijn adem stokt: ik heb slechts wat kleingeld op zak en ben m’n betaalkaarten thuis vergeten. Ik voel me blozen. Hoe moet ik dat nou aan de kassierster gaan verklaren? Een schichtige blik even opzij vertoont een aanzwellende rij van gehaaste klanten die net zoals ik hier zo snel mogelijk weg willen. Probleem is dat ik er tussen sta...met te weinig geld.
Ik probeer het met een grapje. Oh wat ben ik verrast dat het leven zo duur is. Ik wist écht niet dat die flessen wijn zo prijzig waren – stonden die niet in promotie? De kassierster vertoont haar beste non-empathische pokerface.  Ik kan haast haar gedachten lezen terwijl ze me aankijkt: “jij hopeloze vent: je kwam toch hierheen voor citroenen? Wat is dat met die andere spullen dan?”
“Laat u die 2 flessen wijn dan maar zitten”, stamel ik bedeesd. Dat blijkt net het bedrag met genoeg te laten zakken zodat ik toch nog kan betalen.
Nog even een vluchtige zijdelingse blik openbaart een ongeduldige wurmende meute die hier en daar wat kleingeld in hun gebalde vuist schudden, om aan te geven dat zij wél kunnen betalen.
Ik neem m’n fles wijn, m’n ontbijtchocolade, m’n busje lactosevrije melk, het pakje chewing gum voor in de auto, de rijpe Brie en...oh ja, vooraleer ik het vergeet: m’n citroenen.
De salade Niçoise zal smaken.

Gesprek met Moeder Aarde

Moeder Aarde, ik moet je iets bekennen: er zit me iets dwars, iets dat me van de lever moet. Reeds verschillende dagen zit ik in jou rond te wroeten en te putten en, hoe raar dat ook klinkt, ik voel me daar niet al te lekker bij.
Nee, ik heb het niet over de scheurende spierpijn die me elke ochtend weer doet realiseren dat ik in het beste geval over de helft van mijn te verhoopte levensverwachting zit; ook heb ik het niet over het stresserende spookbeeld van een steeds nader komende tijdslimiet die ik absoluut moet inhouden voor het ingraven van een nieuwe elektriciteitskabel.
Daar heb ik het allemaal niet over, hoe belangrijk dat ook moge wezen.
Het doet me gewoon pijn om je met die harde steekspade en andere uitgelezen kwelmiddelen steeds weer te hoeven martelen, steeds weer opnieuw en opnieuw. Er komt maar geen einde aan. Tja, ik moet een greppel graven en die behoort nu eenmaal een behoorlijke lengte, diepte en breedte te bevatten. Hoe zou ik het anders moeten doen?
En jammer genoeg wordt het nog erger: binnenkort komen er mensen met machines om die verschrikkelijk harde, kille betonnen deklaag die als een dwangbuis om je heen is bevestigd, weer los te kappen. ‘Hoera’ hoor ik je reeds roepen, maar helaas: eens het beton weg, beginnen ze gewoon weer verder jouw broze lichaam uit te pulken.
Ik begin langzamerhand te beseffen dat jij van al dat gefriemel, gepeuter, geklop, gefrutsel, van al dat boren, kloppen, spitten, delven, graven, wroeten, steken en meer van dat fraais, nogal opstandig kan worden.
Ik snap dat je lijf af en toe even samen schokt van de pure pijn. Dat noemen ze dan een aardbeving of een vulkaanuitbarsting of meer van dat fraais. Dat doet ons mensen dan weer zoveel meer pijn en zo zijn we weer vertrokken voor een eeuwigdurende kringloop van lijden.
Maar, zo stel ik me de vraag: hoeft dit werkelijk zo te zijn? Misschien wordt het tijd dat we je eens wat met meer respect gaan behandelen. Die tonnen zwerfafval die we zo maar achteloos lozen in jouw dieptes, het onophoudelijke geprik naar nog meer verborgen energiemiddelen, de aanhoudende vergiftiging van je levensadem...niet te verwonderen dus dat jij af en toe stevig moet niezen om de troep die jou zo langzaam verstikt, weer uit te proesten.
En dan klagen wij hier weer over tornado’s en windhozen die met steeds toenemende kracht hun woestenij aanrichten. Niet zo geheel vreemd, als je ’t mij vraagt.
Maar ik had je toch nog graag een laatste verzoek gemaakt: ik stel voor dat we een overeenkomst sluiten: ik graaf nog even verder die greppel en daarna als vergoeding voor de wonden die ik veroorzaak, plant ik een nieuwe boom om tenminste een deel van jouw littekens te zalven.
Ja, dat lijkt me een goed idee. Maar nu toch nog even voort scheppen.